Er is een groot bos. In het bos wonen een beer en een eekhoorn.

De beer heet Bram. De eekhoorn heet Saar.

Bram en Saar

Bram en Saar zijn geen vrienden. Zij maken vaak ruzie.

"Dit is mijn boom!" zegt Saar.

"Nee, dit is mijn plek!" zegt Bram.

Op een dag regent het hard. De wind waait. Een grote tak valt op het pad.

Saar kan niet naar huis.

Bram ziet Saar.

"Heb je hulp nodig?" vraagt Bram.

"Ja, graag," zegt Saar.

Bram tilt de grote tak op.

"Dank je wel," zegt Saar.

Later ziet Bram dat hij zijn honing niet kan vinden.

"Ik zal je helpen," zegt Saar.

Zij zoekt in het bos.

Na een tijdje vindt Saar de honing.

"Hier is je honing!" zegt Saar.

Bram lacht.

"Dank je wel. Jij bent aardig."

Saar glimlacht.

"Jij bent ook aardig."

Vanaf die dag zijn Bram en Saar vrienden.

Zij spelen samen. Zij wandelen door het bos. Zij delen eten en helpen elkaar.

Iedereen in het bos is blij.

Einde.

Woordenlijst

  • de beer = bear

  • de eekhoorn = squirrel

  • ruzie maken = to argue

  • de tak = branch

  • de wind = wind

  • helpen = to help (verb)

  • de honing = honey

  • zoeken = to look for (verb)

  • vinden = to find (verb)

  • delen = to share (verb)